De Beemster 400 jaar geleden, 1611

Begin 1611 was het leegmalen van het Beemstermeer al zo ver gevorderd dat er op de ondiepste plekken nog maar zo’n 6 voet (ongeveer 1,80 meter) water stond. Die winter vroor het zo hard dat de landmeters het ijs op konden gaan om overal de diepte te peilen en metingen te doen om een nieuwe kaart te maken. Op basis van deze gegevens besloot het polderbestuur molens te verplaatsen en het totale aantal molens uit te breiden. Op de nieuwe kaart werden ook de wegen en de tochtsloten ingetekend. Samen vormen deze een patroon van vierkanten; in die tijd werd het vierkant als toppunt van schoonheid beschouwd. Helaas is niet bekend wie dit zo heeft bedacht.

In maart 1611 besloot het polderbestuur de droogvallende gronden onmiddellijk in te zaaien met ‘hooikrok’ (fijn afval van hooi waarin veel graszaad zit). Later in het voorjaar was het water zo ver gezakt dat omwonenden in groten getale met manden en zakken de vis uit het slik en de achtergebleven poelen konden grijpen. Ook kon nu met de aanleg van wegen en sloten worden begonnen.

Die zomer namen de hoofdingelanden ook enkele besluiten over de verkaveling. Om te voorkomen dat de kwaliteit van de kavels teveel zou verschillen en om de hoger gelegen en daardoor zeer gewilde dijkkavels eerlijk onder de intekenaren te verloten zouden halve dijkkavels met kleine kavels in de kil (dat wil zeggen het laagste deel) worden gecombineerd.  Tevens besloot men binnen een vierkant vier kavels van 25 morgen (1 morgen is 0,85 hectare) te maken. Overigens werd dit in de volgende vergadering al veranderd: de grote kavels werden nu bepaald op 20 morgen.

De invallende herfst ging gepaard met zoveel regen dat de wegenaanleg moest worden gestaakt. De nog slappe bodem raakte weldra zo verzadigd dat de Beemster weer gedeeltelijk onder water kwam te staan, hier en daar wel 2 tot 3 voet diep. Door de gestadige regen was het de commissie van enkele hoofdingelanden en twee landmeters die langs de dijk waren gelopen om te bepalen waar de dijkkavels zouden moeten komen, ook niet mogelijk geweest om binnen de dijken te gaan om er met spitten en boren informatie over de kwaliteit van de grond te verzamelen.

Ondertussen ging de planning van de inrichting gestaag door. Op 12 en 13 oktober 1611 werd in Amsterdam een grote vergadering van dijkgraaf, hoogheemraden en hoofdingelanden gehouden. Men bepaalde daar dat er op de kruising van wegen dertien pleinen van 250 bij 150 voet (circa 80 bij 45 meter) zouden komen. Op vijf van deze pleinen zouden kerken worden gebouwd. Deze kerkpleinen moesten groter worden: 350 bij 200 voet (110 bij 60 meter). De pleinen dienden te worden beplant met opgaande bomen ‘tsij ijpen ofte anderen’, en alle wegen moesten beplant worden met ‘elst, willigen ofte andere bomen’. Vervolgens besloot men over de namen van de wegen. De noord-zuid lopende wegen kregen de wegen de namen (van ‘rechts’ naar ‘links’) Oosthuizerweg, Beetserweg, Beemsterweg, Jisperweg en Wormerweg. Wat betreft de west-oost lopende wegen bedacht men (van ‘onder’naar ‘boven’) dat “den wech streckende van Purmerendt westaen opt Spijckerboor den Purmerenderwech, den tweeden streckende vant sluijsgen bij noord nae de Volgers westaen den Zuijderwech, den derden steckende van twesteijnt van Quadijck tegens dOosthuijserwech aen den Quadijckerwech. Ende den wech streckende vande molentocht vande Quadijcker molens westaen nae de Rijp de Rijperwech, den vijffden wech streckende van Hoobreede west aen bij zuijden de knevelant den Hobrederwech, den sesden streckende van teijnt van Oosthuijsen westaen boven de Lourishorner molens de Schermerhornerwech, de sevenste streckende vande Vierhuijserhoeck westaen opt Vrouwenwechjen de Vierhuijserwech ende de 8e streckende van boven de Vierhuijserhoeck westaen op Oostmijsen de Oostmijserwech, den negenden van den Oosthuijser kerck op Cruisoort den Cruisoorder(wech)".

Van deze besluiten kwam echter uiteindelijk niet veel terecht. Van de vijf kerken is alleen de eerste, op het middenkruis van de Rijperweg ‘te noemen Midbeemster’, gerealiseerd. Financiële problemen verhinderden de bouw van de andere vier. Ook de pleinen kenden geen lang leven. Binnen enkele jaren werden de meeste opgedeeld over de aangrenzende landeigenaren zodat gewone kruisingen overbleven. Aangaande de beplanting van bomen werd in 1616 besloten dat de eigenaren op het stuk weg voor hun land bomen mogen planten voor eigen kosten en profijt en vruchten, het zogeheten voortplantrecht, mits de bomen op tenminste 2 voet vanaf de sloot dat wil zeggen 16 voeten vanaf het midden van de weg komen te staan. En de namen van de wegen zijn ook anders geworden. Zonder dat we een besluit daaromtrent in de bronnen kunnen vinden blijkt al in januari 1612 sprake te zijn van de ‘Middelwech’ in plaats van de Beemsterweg. Ook enkele andere wegen kregen andere namen die tot op de dag van vandaag voortbestaan.

© Katja Bossaers, september 2010.

Bronnen

  • Waterlands Archief, Polderarchief Beemster, resoluties dijkgraaf en hoogheemraden, resoluties hoofdingelanden
  • Jacubus Bouman, Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, voorafgegaan door eene beschouwing van den vroegeren toestand van Noord-Holland (Purmerend 1857)
  • A.J. Kölker, Kroniek van de Beemster (Alphen aan den Rijn 1981)
  • Wouter Reh, Clemens Steenbergen, Diederik Aten, Zee van land, de droogmakerij als atlas van de Hollandse landschapsarchitectuur (Wormer 2005)
  • Han van Zwet, Lofwaerdighe dijckagies en miserabele polders. Een financiële analyse van landaanwinningsprojecten in Hollands Noorderkwartier, 1597-1643 (Hilversum 2009)
Overzicht naamgeving wegen
Besluit 1611 Huidige naam
Purmerenderwegh Zuiderweg
Zuijderwegh Volgerweg
Quadijckerwegh Kwadijkerweg
Rijperwegh Rijperweg
Hobrederwegh Hobrederweg
Schermerhornerwegh Oosthuizerweg
Vierhuijserwegh Vrouwenweg
Oostmijzerwegh Mijzerweg
Cruisoorderweg Kruisoorderweg
Oosthuijserweg Purmerenderweg
Beetserwegh Nekkerweg
Beemsterwegh Middenweg
Jisperwegh Jisperweg
Wormerwegh Wormerweg