De Beemster 400 jaar geleden, 1610

Op Nieuwjaarsdag 1610 konden de bedijkers het glas heffen op een voorspoedige afloop van het enorme karwei. Weldra zou De Beemster droog zijn en zouden de gedane investeringen worden terugverdiend. Drie weken later was van dit optimisme niets meer over! Een zware noordwesterstorm had dagenlang op de kusten gebeukt waardoor uiteindelijk op 20 januari de Waterlandse zeedijk op verschillende plaatsen was doorgebroken. De overstroming was teveel voor de nog instabiele ringdijk, die dan ook bezweek onder de druk van het aanstormende water. Het Beemstermeer liep weer vol; men was terug bij af.

Ruim een week na deze ramp werd in Amsterdam een grote vergadering van alle investeerders belegd. Hoewel het grote financiële inspanningen zou kosten werd toch unaniem besloten het werk voort te zetten. Diverse besluiten werden genomen: om het vele extra werk aan te kunnen werd het aantal hoofdingelanden uitgebreid met zeven grote investeerders uit Amsterdam, drie uit andere Hollandse steden (Delft, Haarlem en Leiden) alsmede een van de Purmerendse burgemeesters. Tevens zou men bij de Staten van Holland een nieuw octrooi aanvragen waarin de periode van belastingvrijstelling zou worden verlengd als tegemoetkoming in de extra kosten. Dit verzoek werd reeds op 15 februari 1610 door de Staten ingewilligd, de termijnen van vrijstellingen werden verdubbeld. Deze snelle en genereuze beslissing laat zien dat ook in Den Haag het belang van voortzetting van de droogmaking werd erkend. Ook bepaalden de Staten op verzoek van de bedijkers dat niemand meer toekomstig land mocht verkopen dan waar hij daadwerkeljk recht op had. Na de ramp waren er namelijk speculanten geweest die geruchten hadden verspreid dat de grond niets meer waard was om zo de prijs te laten kelderen. Besloten werd dat elke verkoop binnen twee weken bij het bestuur geregistreerd moest worden op straffe van boetes.

Ondertussen was een groep hoofdingelanden afgereisd om de Beemsterdijk te inspecteren. Meer dan de helft moest hersteld worden. Het dijkstuk tussen Spijkerboor en De Rijp bleek zelfs dusdanig weggespoeld te zijn dat het goedkoper was om opnieuw te beginnen dan om de resten te repareren. Ook veel molens waren zwaar beschadigd. Direct werden dan ook grote hoeveelheden hout en stro ingekocht om de gaten provisorisch te herstellen en de molens die dreigden weg te zakken, te stutten. De hoofdingelanden besloten om niet alleen de dijk te verhogen en te verzwaren maar ook het tracé van de dijk aan te passen en rechter te trekken. De grootste verandering was dat Kruisoord, een landtong in het meer waar eerst de dijk omheen liep, daardoor binnendijks kwam te liggen. Een en ander vergde natuurlijk opnieuw onderhandelingen met de omliggende dorpen.

De herstelwerkzaamheden werden in mei en juni aanbesteed. Bovendien bestelden de hoofdingelanden zes extra molens die zo'n ƒ 6.000,- per stuk kostten. Het bovengenoemde dijkstuk bij Spijkerboor werd alleen al op ƒ 24.000,- geraamd. Al deze extra uitgaven moesten worden betaald door de investeerders. De omslagen bedroegen in 1610 ƒ 63,- per morgen (0,85 ha), ruim meer dan in de voorgaande jaren (in 1608 ƒ 35,- en 1609 ƒ 45,-).

Behalve hoge uitgaven vergde de nasleep van de ramp ook veel tijd van de bedijkers. In februari, maart en april 1610 vergaderden de Amsterdamse hoofdingelanden wekelijks. Deze bijeenkomsten vonden plaats ten huize van Dirck van Oss. Later dat jaar besloot men op voorstel van dijkgraaf Tobias de Coene om op zaterdagmiddag in Purmerend te gaan vergaderen. Bij de Rekenkamer in Den Haag werd daarom een verzoek ingediend om op het Slot een ruimte te verkrijgen. Hoewel van tijd tot tijd onenigheid met de kastelein van het Slot over de hoogte van de vergoeding oplaaide, bleef het polderbestuur op het Slot vergaderen tot dit midden achttiende eeuw wegens verregaande bouwvalligheid werd gesloopt.

De heren waren zeer beducht dat de pas herstelde dijk opnieuw zou worden beschadigd. Daarom werden eind september plakkaten aangeplakt dat er geen beesten op de dijk mochten weiden, geen schuiten worden overgehaald, men niet mocht baggeren of vissen in de ringsloot noch de dijk of de 'barmte' mocht afgraven of het hout- of ijzerwerk van de schoeiingen roven. In november werd bovendien besloten vier nachtwakers aan te stellen, twee te Purmerend en twee te Avenhorn. Elke nacht zouden ze een rondje over de dijk lopen: die van Purmerend via de oostdijk naar Avenhorn en via de westkant terug en die uit Avenhorn andersom.

Al met al was eind 1610 de situatie er niet beter op dan een jaar eerder. Maar het werk werd vastberaden voortgezet!

© Katja Bossaers, oktober 2009.

Bronnen:

  • Waterlands Archief, Polderarchief Beemster, resoluties dijkgraaf en hoogheemraden, resoluties hoofdingelanden
  • Jacubus Bouman, Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, voorafgegaan door eene beschouwing van den vroegeren toestand van Noord-Holland (Purmerend 1857)
  • A.J. Kölker, Kroniek van de Beemster (Alphen aan den Rijn 1981)
  • Wouter Reh, Clemens Steenbergen, Diederik Aten, Zee van land, de droogmakerij als atlas van de Hollandse landschapsarchitectuur (Wormer 2005)
  • Han van Zwet, Lofwaerdighe dijckagies en miserabele polders. Een financiële analyse van landaanwinningsprojecten in Hollands Noorderkwartier, 1597-1643 (Hilversum 2009)