De Beemster 400 jaar geleden, 1609

Begin 1609 waren de dijk en de ringsloot vrijwel voltooid. Alleen aan de westkant waren nog problemen, omdat het stadsbestuur van Alkmaar dwars lag. Alkmaar dreigde door de droogmaking van de Beemster haar vaarroute naar Purmerend, en verder naar Amsterdam, kwijt te raken. Voor het handelsverkeer, dat immers vooral over water plaatsvond, was dat natuurlijk zeer ongunstig. De Alkmaarders eisten dan ook dat de ringvaart minstens twaalf roeden (41 meter) breed zou worden, terwijl de bedijkers uitgingen van een ringsloot van vier à vijf roeden breedte. Anders zouden de kosten veel te hoog oplopen. Uiteindelijk werd in maart 1609 een compromis bereikt, waarbij de breedte van de westelijke en zuidelijke ringvaart op acht roeden (ruim 27 meter) werd vastgesteld en er naast de vaart een trekweg zou worden aangelegd zodat de schepen bij tegenwind gesleept konden worden. Bij de aanbesteding van deze werken zou een burgemeester van Alkmaar aanwezig zijn om te zien of het accoord wel werd nageleefd.

Intussen had de dijk regelmatig te lijden onder vandalisme, vermoedelijk door boze omwonenden en vissers die hun broodwinning verloren zagen gaan. Diverse malen werd de nieuw aangelegde dijk doorgestoken, waardoor de voortgang van de werkzaamheden vertraging opliep en er de nodige extra kosten voor reparatie bijkwamen. De bedijkers verzochten daarom aan de Staten van Holland dit strafbaar te stellen, waarop deze op 6 januari 1609 een verordening afkondigden met boetes van ƒ 200 tot ƒ 600 voor het toebrengen aan schade aan de Beemster werken. De dijkgraaf kreeg volmacht om tegen de overtreders op te treden.

Medio 1609 raakte de dijkgraaf zelf echter in opspraak. Deze Lambert Wijngaertsz van Vollenhoven claimde van de laatste gravin van Arenberg haar rechten op het oostelijk deel van de Beemster hebben verkregen en was afgekocht met het dijkgraafschap. Maar in juni 1609 begon men te twijfelen aan de rechtmatigheid van zijn aanspraken. Bovendien liet zijn beheer van de financiën ook nogal te wensen over. Vooral zichzelf deed hij daarbij allerminst te kort. In ieder geval werd in juli een gezant naar Purmerend gestuurd om Lambert te arresteren, maar de vogel bleek gevlogen! Het enige wat men nog kon doen was beslagleggen op zijn goederen, die in het Slot te Purmerend in een verzegeld vertrek werden opgeborgen. Hoe dit afliep is in de bronnen helaas niet terug te vinden. Feit is echter dat eind 1609 een nieuwe dijkgraaf werd aangesteld: mr. Tobias de Coene.

In de loop van het jaar werd duidelijk dat de planning om het meer met Allerheiligen 1609 droog te hebben, niet zou worden gehaald. Er was al besloten het oorspronkelijk aantal van 16 molens uit te breiden naar 26. Maar de klus bleek omvangrijker dan gedacht. Om het werk te bespoedigen werden nog meer arbeiders aangenomen. Hoeveel man er aan het werk was, weten we niet, maar het moeten er een paar duizend zijn geweest. Al die mankracht en de benodigde materialen kostten natuurlijk handenvol geld. In 1609 is zeven maal een omslag vastgesteld waarbij de intekenaren voor een bepaald bedrag per morgen (0,85 ha) werden aangeslagen. In totaal werd dat jaar per morgen ƒ 45 geïnd, voor een totaalbedrag van ƒ 337500. Bijna de helft daarvan, ruim anderhalve ton, ging op aan kosten voor het maken van de dijk en de ringsloot. Maar ook de post ijzerwaren (spijkers!) bedroeg al zo'n ƒ 15000. Het enorme karwei vorderde gestaag. Eind 1609 was reeds zo'n 3-4 voet water (bijna anderhalve meter) uitgemalen en begon het grootste deel van de gronden, behalve de kil, al droog te vallen.

© Katja  Bossaers, oktober 2008.

Bronnen:

  • Polderarchief Beemster
  • Jacubus Bouman, Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, voorafgegaan door eene beschouwing van den vroegeren toestand van Noord-Holland (Purmerend 1857)
  • Helga Danner, Van water tot land, van land tot water, verwikkelingen bij de indijking van de Beemster (Middenbeemster 1987)
  • Diederik Aten, "Als het gewelt comt…" Politiek en economie in Holland benoorden het IJ, 1500-1800 (Hilversum 1995)