De Beemster 400 jaar geleden, 1608

Nadat de initiatiefnemers tot de bedijking van de Beemster op 21 mei 1607 van de Staten van  Holland octrooi hadden verkregen om het project uit te voeren, gingen zij voortvarend van start. Er moesten nogal wat voorbereidende werkzaamheden worden verricht voordat er een spade de grond in kon. Allereerst gaf men aan landmeter Pieter Cornelisz Cort opdracht om een zo nauwkeurig mogelijke kaart van het Beemstermeer en omgeving te maken. Ook moesten de heren bedijkers onderhandelen met het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen over de afwatering. Het hoogheemraadschap stond zeer sceptisch tegenover de plannen omdat door de droogmaking de waterberging in de Schermerboezem aanzienlijk zou verminderen. Deze onderhandelingen leidden tot een contract waarin onder andere werd vastgelegd dat op kosten van de bedijkers een afwateringskanaal naar Schardam zou worden aangelegd. En in 1607 werden eveneens overeenkomsten afgesloten met de omringende dorpen en steden en met individuele landeigenaren. De geplande omringdijk zou immers op de oevers van het meer worden aangelegd en daartoe moest dit land eerst worden aangekocht. Daarbij werd de hulp ingeroepen van een viertal onpartijdige taxateurs. De stad Hoorn wist uit de besprekingen de toezegging te slepen dat er twee hoofdingelanden van die stad in het polderbestuur zouden plaatsnemen. Tenslotte moest er worden onderhandeld met enkele personen die rechten bezaten op het Beemstermeer. Lambert Wijngaertsz van Vollenhoven, baljuw van Oosthuizen, zou van de laatste gravin van Arenberg haar rechten op het oostelijk deel van de Beemster hebben verkregen. De bedijkers kwamen met hem tot overeenstemming dat hij in 1608 tot eerste dijkgraaf van de Beemster werd benoemd. Een andere belanghebbende was Adriaan Teding van Berkhout, pensionaris van Monnickendam, die eigenaar was van het visserijrecht op het meer. In oktober 1608 kwam men tot een accoord waarbij dit recht werd afgekocht.

Begin januari 1608 vond de aanbesteding van de bouw van de eerste molens plaats. Jan Adriaansz, molenmaker uit De Rijp, kreeg de aanstelling om bij de bouw van de molens als opzichter te fungeren. Doordat in januari 1608 door buitengewoon strenge vorst het gehele meer "met eene dikke korst was bevloerd" ontstond een uitgelezen kans om het meer gedetailleerd op te meten en de diepte te peilen. Gemiddeld bleek het meer ruim 2 ½ meter diep, maar op sommige plaatsen, met name langs de Kil ofwel de oude bedding van de Bamestra, was het veel dieper. Met Pasen 1608 was de aankoop van de gronden afgerond en kon men overgaan tot de aanbesteding van het dijkwerk. Daartoe was de dijk in 400 vakken verdeeld waarvoor per traject een gespecificeerd bestek was gemaakt. Van heinde en verre kwamen arbeiders. Alles was uiteraard handwerk! De werkzaamheden verliepen voorspoedig en aan het eind van het jaar draaiden al enkele molens. Maar helaas zat het weer niet mee. Velius beschrijft in zijn Chronijk van Hoorn de slechte zomer van 1608 die "bijkans anders niet dan een gestadige regen" liet zien wat ook "zeer schadelijk" was voor het werk aan de Beemster. Ook later in het jaar werd het niet veel beter: "De gansche herfst aardde naar den voorgaande zomer en was zeer nat en vochtig; ook de winter was schier niet dan een gestadige regen, en het vroor bijkans nooit". De oorspronkelijke planning bleek dan ook onhaalbaar en men zag zich genoodzaakt om nog enkele molens extra te laten bouwen. Toch begon het peil in januari 1609 al behoorlijk te dalen.

© Katja Bossaers, november 2007.

 Bronnen:

  • Jacubus Bouman, Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, voorafgegaan door eene beschouwing van den vroegeren toestand van Noord-Holland (Purmerend 1857
  • Helga Danner, Van water tot land, van land tot water, verwikkelingen bij de indijking van de Beemster (Middenbeemster 1987)
  • Wouter Reh, Clemens Steenbergen, Diederik Aten, Zee van land, de droogmakerij als atlas van de Hollandse landschapsarchitectuur (Wormer 2005)